| Alfa-helix
|
De spiraalvormige structuur die kan ontstaan bij de secundaire structuur van een eiwit.
|
| Allel
|
Een uitvoering van een gen. Van het gen oogkleur heb je bijvoorbeeld het allel voor blauwe ogen en het allel voor bruine ogen. 2 uitvoeringen dus. Afhankelijk van welk allel dominant is komt de kleur tot expressie.
|
| Aminozuren
|
Aminozuren zijn de bouwstenen van een eiwit. Ze worden gecodeerd door woordjes van 3 basen (codon). Er zijn 20 verschillende aminozuren.
|
| Basen
|
De 4 letters die het alfabet vormen van DNA: A (Adenine), T (Thymine), C (Cytosine) en G (Guanine). In RNA is U (Uracil) in de plaats van T.
|
| Baseparen
|
De basen A, T, C en G vormen vaste paren. A kan alleen tegenover T staan en C alleen tegenover G. In RNA staat A tegenover U. (zie ook basen)
|
| Beta-sheet
|
De vlak-vormige structuur die kan ontstaan bij de secundaire structuur van een eiwit.
|
| Centromeer
|
Het middelste gedeelte van het chromosoom dat de 2 chromatiden bij elkaar houdt
|
| Chromatiden
|
De 2 identieke delen van een chromosoom, bij elkaar gehouden door het centromeer
|
| Chromosoom
|
De X-vormige structuur waarin DNA ligt opgerold. Een mens heeft er 46.
|
| Codon
|
Een codon is een woordje van 3 basen dat codeert voor 1 aminozuur. Wordt ook wel een triplet genoemd.
|
| Complement
|
Het spiegelbeeld van een DNA of RNA streng gezien de regel van baseparen.
|
| Eiwit
|
Ook wel proteine genoemd. Chemische verbinding die bestaat uit een keten van aminozuren. Eiwitten kunnen verschillende functies hebben, zoals bijvoorbeeld een structureel eiwit of een enzym. De functie is vaak gerelateerd aan de unieke vorm doordat ze zich op verschillende manieren opvouwen.
|
| Gen
|
Een gen is de drager van een bepaalde erfelijke iegenschap in een cel. Het is het stuk DNA dat de samenstelling van 1 eiwit codeert.
|
| Ribosomen
|
Een ribosoom is een structuur in de cel die zorgt voor de omzetting van mRNA naar een eiwit.
|
| RNA
|
RNA is de structuur die het erfelijke materiaal transporteert en wordt daarom vaak messenger RNA (mRNA) genoemd. RNA lijkt op DNA maar heeft een aantal belangrijke verschillen: het bevat een andere suiker (ribose in plaats van deoxyribose), het is enkelstrengs en heeft als vierde base Uracil (U) in plaats van Thymine (T).
|
| Startcodon
|
Het codon AUG, dat codeert voor het aminozuur Methionine. Dit is het startsignaal van een gen dat resulteert in een eiwit.
|
| Stopcodon
|
Er zijn 3 codons die het eind van een gen aangeven: UAA, UAG en UGA. Deze codons coderen niet voor een aminozuur maar zijn simpelweg een stopsignaal voor een gen.
|