| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
| Marijke van der Sijde, © 2010 |
|
| |
|
|
Elk gen zorgt voor de aanmaak van een eiwit. Dit eiwit gaat er vervolgens voor zorgen dat een bepaalde eigenschap in je lichaam tot expressie komt. Een eiwit kan bijvoorbeeld een enzym zijn, dat een bepaalde reactie in je lichaam op gang brengt. Een eiwit kun je zien als een lange keten van aminozuren. Om het eiwit zijn uiteindelijke werk te kunnen laten doen moet deze keten vaak eerst op een bepaalde manier opgerold en opgevouwen worden. Dit gebeurt in een aantal niveaus:
De primaire structuur
 |
De primaire structuur is de volgorde van de aminozuren. Deze volgorde zorgt ervoor dat het eiwit uniek is. |
De secundaire structuur
 |
De secundaire structuur bestaat uit delen van een eiwit die aan elkaar gaan zitten. Dit kan op 2 manieren gebeuren: in een soort spiraal en in een vlak. De spiraal wordt een alfa-helix genoemd en het vlak een bèta-sheet. |
De tertiaire structuur
 |
De tertiaire structuur onstaat als er tussen de alfa-helices en bèta-sheets bruggen onstaan, waardoor de keten als het ware opvouwt. Het opgevouwde geheel wordt dan een eiwit genoemd. |
De quaternaire structuur
 |
Als meerdere eiwitten samenwerken en een complex vormen wordt dat de quaternaire structuur genoemd. Vaak bevinden zich tussen deze eiwitten nog andere moleculen, zoals ijzer, om het complex actief te maken. |
Eiwitten kunnen heel veel verschillende functies uitoefenen. Zo kunnen het bijvoorbeeld bloedeiwitten zijn, of hormonen. Of enzymen, die reacties in het lichaam vaak versnellen. Ook kunnen eiwitten als transportmiddel dienen om bepaalde stoffen de cel in of uit te brengen. Maar eiwitten spelen ook een hele belangrijke rol in ons afweersysteem. De vier structuren bepalen welke functie het eiwit uiteindelijk gaat uitvoeren en waar.
|
|
|
|