| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
 |
 |
|
| |
| Marijke van der Sijde, © 2012 |
|
| |
|
|
Watson en Crick hadden met hun ontdekking van de structuur van DNA het begin van het mysterie rondom dit molecuul ontrafeld. Maar hierna kwamen de volgende vragen: hoe kon het DNA zich kopiëren bij elke celdeling? En hoe kon DNA uiteindelijk leiden tot genetische eigenschappen?
Het kopiëren
Als een cel zich gaat delen, worden de twee strengen van het DNA uit elkaar getrokken. Hierbij worden de koppelingen tussen de basenparen verbroken, waardoor er een soort rits ontstaat:

Als de 2 strengen uit elkaar gaan ontstaan er twee losse DNA-strengen met enkele basen. Dan begint het kopiëren: tegenover een A in de ene streng komt een T in de nieuwe streng, tegenover een G komt weer een C. Zo wordt de ontbrekende streng bouwsteen voor bouwsteen uit losse basen opgebouwd en ontstaat er per streng een kopie. Hetzelfde gebeurt bij de andere streng. In het plaatje hierboven is roze de oude streng en blauw de nieuwe. Uiteindelijk ontstaan uit één DNA-molecuul twee dubbelstrengs DNA-moleculen. Deze worden van elkaar gescheiden bij de celdeling. Zo krijgt iedere cel een eigen molecuul.
De genetische code
DNA codeert voor erfelijke eigenschappen in ons lichaam door de unieke volgorde van de basen. Om de eigenschappen tot uiting te laten komen moet deze volgorde van basen eerst vertaald worden naar eiwitten. Eiwitten bestaan uit een volgorde van bepaalde bouwstenen. Deze bouwstenen heten aminozuren:

|
|
|
|